Preek 207  Barmhartigheid en offerzin

 

1. Met de hulp van de barmhartigheid van de Heer onze God moeten wij trachten de bekoringen van de wereld, de lagen van de duivels, de zorgen van het leven hier op aarde, de verlokkingen van het vlees, de stormen van de woelige tijden en alle lichamelijke en geestelijke tegenslag met aalmoezen, vasten en gebed te boven te komen. Terwijl een christen zich hierop gedurende heel zijn leven met vuur moet toeleggen, moet hij dit toch vooral doen bij de nadering van het Paasfeest, dat bij zijn jaarlijkse terugkeer voor ons een aansporing is: het roept immers de heilzame herinnering wakker aan de barmhartigheid, die onze Heer, de enige Zoon van God, ons betoond heeft, toen Hij gevast en voor ons gebeden heeft.
Het woord aalmoes komt van het Griekse 'eleemosyna', dat 'barmhartigheid' betekent. Kan men zich echter een groter barmhartigheid jegens ongelukkigen denken dan die, welke de Schepper van de hemel uit de hemel deed neerdalen en de Maker van de aarde bekleedde met een aards lichaam, welke Hem in de sterfelijkheid aan ons gelijk maakte, die in de eeuwigheid de gelijke van de Vader blijft, welke de gestalte van een slaaf oplegde aan de Heer der wereld: opdat het brood zelf hongerig zou zijn, de verzadiging dorstig zou zijn, de kracht zwak zou zijn, de gezondheid zou gewond worden, het leven zou sterven? En dit alles opdat onze honger zou gestild worden, onze dorst zou gelest worden, onze zwakheid zou getroost worden, ons onrecht zou gedelgd worden, onze liefde zou ontvlammen. Kan men zich een groter barmhartigheid denken dan dat de Schepper geschapen werd, de Meester dienstknecht werd, de Verlosser verkocht werd, dat Hij, die ons verheft, vernederd werd en Hij, die ons opwekt, gedood werd?
Ons wordt bevolen om als aalmoes brood aan de hongerige te geven, maar Hij heeft zich eerst voor ons aan zijn beulen gegeven, opdat Hij zichzelf aan ons zou kunnen geven, om onze honger te stillen. Ons wordt bevolen, de vreemdeling op te nemen, maar Hij kwam voor ons in zijn eigen bezit, maar de zijnen namen Hem niet op. Laat onze ziel dan Hem loven, die genadig is tegenover al haar ongerechtigheden, die al haar zwakheid geneest, die haar leven redt van het bederf, die haar kroont met ontferming en barmhartigheid, die al haar verlangens bevredigt.
Laten wij dus onze aalmoezen des te rijkelijker en des te vaker uitdelen, naarmate de dag naderbij komt, waarop wij de aalmoes gedenken, die God ons eerst gegeven heeft. Vasten zonder barmhartigheid helpt immers hem, die vast, niets. 

2. Laten wij ook vasten door ons te vernederen nu de dag nadert, waarop de Meester van de nederigheid zichzelf vernederd heeft, nederig geworden tot aan de dood van het kruis. Laten wij zijn kruis navolgen door onze lusten te beteugelen en ze met de nagelen der onthouding aan het kruis te slaan. Laten wij ons lichaam kastijden en tot onderwerping brengen; opdat wij echter niet door ons onbedwongen vlees tot ongeoorloofde dingen vervallen, moeten wij bij het bedwingen daarvan ons ook dingen, die op zichzelf geoorloofd zijn, ontzeggen. Onmatigheid en dronkenschap moet men ook op andere dagen vermijden. Gedurende deze dagen echter moet men zelfs geoorloofde gastmalen achterwege laten. Overspel en ontucht moet men steeds verfoeien en ontvluchten, maar in deze dagen moeten zelfs de echtgenoten zich onthouden. Wanneer het vlees er aan gewend is, zich beperkingen op te leggen bij het zijne, zal het u gemakkelijk gehoorzamen, wanneer gij het verbiedt, omgang te hebben met het vreemde.
Gij moet er vooral voor oppassen, dat gij uw genietingen niet verandert in plaats van ze te verminderen. Er zijn mensen, die de gewone wijn door ongewone dranken trachten te vervangen, die zich het genot van de druif weliswaar ontzeggen, maar dit gemis vergoeden door nog veel smakelijker dranken, bereid uit het sap van andere vruchten; er zijn mensen, die allerlei smakelijke spijzen weten te vinden, om het vlees te vervangen, die juist deze tijd als het ware geschikt achten voor het gebruik van genotmiddelen, waarvoor zij zich anders zouden schamen. Zo dient de veertigdaagse vasten niet om de oude begeerten te onderdrukken, maar zij wordt een gelegenheid voor nieuwe genietingen. Met de grootste waakzaamheid moet gij er voor zorgen, broeders, dat gij u niet tot zo iets laat verleiden. Laat spaarzaamheid met uw vasten gepaard gaan. Gij moet alle overdaad tegengaan en u eveneens hoeden voor elke prikkel tot gulzigheid. Gij behoeft niet bepaalde voedingsmiddelen, die de mens tot spijs strekken, te verfoeien, maar gij moet het zingenot beteugelen. Esau heeft zijn rechten niet verloren door een vet kalf of gemest gevogelte, maar door het onmatig verlangen naar een linzenschotel. En koning David had berouw, omdat hij meer dan goed was naar water verlangd had. Niet door bewerkelijke of kostbare gerechten, maar door spijzen, die men gemakkelijk bij de hand heeft en die zo goedkoop mogelijk zijn, moet men het lichaam, dat uitgeput is door het vasten, zijn krachten teruggeven of liever trachten, het in stand te houden.

3. In deze dagen stijgt ons gebed ten hemel, als het ware geschraagd door in vroomheid gegeven aalmoezen en door vasten in matigheid. Men kan immers zonder onbeschaamd te zijn Gods barmhartigheid inroepen, wanneer men als mens aan andere mensen de barmhartigheid niet weigert en als de zuivere bedoelingen van het biddend hart niet tegengewerkt worden door de donkere spookgestalten van de vleselijke lusten. Laat ons gebed kuis zijn, laten wij vragen wat de liefde, niet wat de begeerte ons ingeeft; laten wij geen kwaad afbidden over onze vijanden, laten wij in ons gebed niet woeden tegen hen, die wij op een andere wijze niet kunnen schaden of straffen. Evenals wij door het geven van aalmoezen en door vasten geschikt worden om te bidden, zo wordt ons gebed zelf als een aalmoes, wanneer het wordt opgezonden en wordt gestort niet slechts voor onze vrienden, maar ook voor onze vijanden en wanneer het vrij blijft van elk gevoel van toorn en haat en van andere verderfelijke fouten. Als wij immers ons van spijzen onthouden, hoeveel meer moet dan ons gebed zich onthouden van dat gif? Wij herstellen onze krachten door op gezette tijden voedsel tot ons te nemen, maar het gebed mogen wij nooit het genot van zulke spijzen gunnen. Dit moet zich daarvan altijd onthouden, dit heeft zijn eigen voedsel, dat het zonder onderbreking tot zich moet nemen. Het gebed moet zich altijd onthouden van de haat, maar het moet steeds gevoed worden door de liefde.

terug