Preek 206 Het doen van goede werken

 

1. De jaarlijks wederkerende vastentijd is weer aangebroken; bij gelegenheid daarvan moeten wij een vermaning tot u richten, daar ook gij de Heer werken, die in overeenstemming zijn met deze tijd, verschuldigd zijt. Niet alsof deze de Heer van nut kunnen zijn. Neen, slechts uzelf kunnen zij baten. In gebed, vasten en aalmoezen moet een christen ook anders vurig zijn; deze tijd moet echter ook hen, die op andere dagen traag in deze dingen zijn, aansporen, terwijl zij, die anders vurig zijn, er zich met nog groter felheid op moeten toeleggen.
Een tijd van vernedering is het leven op deze aarde. Het symbool daarvan zijn deze dagen, waarin onze Heer Jezus Christus, die eenmaal voor ons gestorven is en geleden heeft, als het ware jaarlijks zijn lijden hernieuwt. Wat immers eenmaal in de gehele tijd gebeurd is, opdat ons leven hernieuwd zou worden, dat wordt jaarlijks gevierd, om de herinnering daaraan levend te houden. Indien wij echter gedurende heel de tijd, dat wij op aarde toeven en te midden van beproevingen leven, in waarachtige vroomheid nederig van harte moeten zijn, hoeveel meer dan in deze dagen, die niet alleen behoren tot de tijd van onze vernedering, maar er ook het symbool van zijn? Nederig te zijn, leerde ons de nederigheid van Christus, omdat Hij door te sterven voor de ongelovigen is geweken; verheven maakt ons de verheffing van Christus, omdat Hij door te verrijzen de gelovigen is voorgegaan. Indien wij immers met Hein gestorven zijn, zegt de apostel, zullen wij ook met Hem leven, indien wij lijden, zullen wij ook met Hem heersen. Het ene gedenken wij thans met passende vroomheid, nu zijn lijden als het ware nadert, het andere vieren wij echter na Pasen, wanneer zijn verrijzenis als het ware heeft plaats gehad. Dan immers, na de dagen van onze vernedering, smaken wij het genot, ook de tijd van onze verheffing, die wij nog wel niet met eigen ogen mogen zien, van te voren te overwegen en ons voor ogen te stellen. Laten wij nu echter aanhoudend onder zuchten bidden, dan zullen wij ons dan des te uitbundiger verblijden in lofprijzingen.

2. Laten wij aan onze gebeden door aalmoezen en vasten de vleugels der vroomheid geven, opdat zij des te gemakkelijker hun vlucht nemen naar God. Een christen begrijpt, hoezeer hij zich verre moet houden van het zich toe-eigenen van andermans goed, wanneer hij bedenkt, dat het gelijk staat met diefstal, wanneer hij zijn overtollig bezit niet aan een behoeftige geeft. De Heer zegt: 'Geeft en u zal gegeven worden; vergeeft en u zal vergeven worden'. Laten wij ons met liefde en vuur toeleggen op deze twee soorten aalmoezen: geven en vergeven. Wij bidden toch ook zelf God, dat het goede ons gegeven worde en dat het kwade niet vergolden worde. Geeft, zegt Hij, en u zal gegeven worden. Wat is juister, wat is billijker, dan dat hij, die zich aan het geven onttrekt, zichzelf te kort doet doordat hij niets krijgt? Als het schaamteloos is, dat een boer wil oogsten, waar hij weet, niet gezaaid te hebben, hoeveel schaamtelozer is het dan, dat iemand, die zelf de bede van de arme niet heeft willen verhoren, verlangt, dat God hem rijkelijk geeft? God, die geen honger kent, wilde immers in de arme gevoed worden. Laten wij onze God, die gebrek lijdt in de persoon van de arme, niet verachten, opdat wij, als wij gebrek lijden, door zijn rijkdommen verzadigd worden. Wij hebben behoeftigen en wij zijn zelf behoeftig: laten wij dus geven, om ook te ontvangen. Wat is het tenslotte, wat wij geven? En voor die kleine, zichtbare, tijdelijke en aardse gift... wat willen wij daarvoor terugontvangen? Wat geen oog heeft gezien, wat geen oor heeft gehoord en wat niet in het hart van een mens is opgekomen. Als Hij zelf het niet beloofd had, zou het onbeschaamd zijn, dit te geven en -dat te willen terugontvangen: en dit zelfs niet eens te willen geven! Trouwens we zouden zelfs dit niet hebben, als Hij, die ons aanspoort, te geven, het ons niet gegeven had. Met welk een gezindheid denken wij, dat God ons beide giften zal geven, als wij bij de minste van de twee zijn gebod in de wind slaan? Vergeeft en u zal vergeven worden, dit wil zeggen: schenkt vergiffenis en u zal vergiffenis geworden. Laat de dienaar zich verzoenen met zijn mededienaar, om te verhoeden, dat de dienaar met recht door de Heer gestraft wordt. Voor dit soort aalmoes is niemand te arm. Deze aalmoes kan hij geven, om in eeuwigheid te leven, die niet genoeg heeft, om er een korte tijd van te leven. Dit geeft men om niet, door zo te geven stapelt men schatten op, waaraan geen einde komt, tenzij wanneer men niets uitgeeft. Als er dus vijandschappen zijn, die tot de dag van vandaag bestaan hebben, dan moet men er paal en perk aan stellen en ze beŽindigen. Dan moet gij ze vernietigen, opdat ze niet u vernietigen. Dan moeten ze geen stand houden, opdat ze u niet in hun greep houden; laten zij uitgeroeid worden door de Verlosser, opdat zij niet de halsstarrige uitroeien.

3. Uw vasten moet niet zů zijn, als de profeet het veroordeelt met de woorden: 'Dit is niet het vasten gelijk ik het verkies, zegt de Heer'. Hij hekelt hier het vasten van twistzieke mensen: Hij schept slechts behagen in het vasten van hen, die de liefde kennen. Hij hekelt de onderdrukkers, maar Hij schept behagen in mensen, die anderen van druk bevrijden. Hij hekelt hen, die zich vijanden maken, maar schept behagen in hen, die vergevensgezind zijn. Gij moet in deze dagen het verlangen naar geoorloofde dingen onderdrukken, opdat gij niets ongeoorloofds doet. Iemand, die zich in deze dagen onthoudt van de huwelijksdaad, zal zich op geen dag te buiten gaan aan wijn of aan echtbreuk. Aldus steunend op nederigheid en liefde, op vasten en aalmoezen, op matigheid en vergevensgezindheid, op het streven, het goede te doen en het kwaad niet met kwaad te vergelden, het kwaad te vermijden en het goede te doen, vraagt ons gebed de vrede en verkrijgt hem ook. Het gebed immers, dat gedragen wordt door de vleugelen van dergelijke deugden, vliegt omhoog en verheft zich gemakkelijker ten hemel, waarheen Christus, onze vrede, ons is voorgegaan.

terug